Archeologie: we zijn nog maar net begonnen

  1. Home
  2. /Kenniscafé
  3. /Het KennisCafé in 2011
  4. /verslag september '11
  5. /Archeologie: we zijn nog...

Door Bernadet Timmer, communicatie gemeente Almere

Drie sprekers over mooie vondsten uit de bodem van een stad die amper dertig jaar bestaat; wat levert dat voor gespreksstof? Meer dan voldoende voor een avondje Neanderthalers, Romeinen en beurtschippers in een vol KennisCafé.

Roel Lauwerier is senior archeozoöloog bij de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed, dat valt onder het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap. “De Rijksdienst zorgt voor al het erfgoed in Nederland. Archeologie wordt overal, door iedereen, gedaan. Wij zorgen ervoor dat de archeologen kunnen beschikken over de informatie om hun werk te kunnen doen. Sinds het verdrag van Malta* is het commercieel geworden. In het verleden was alles archeologie wat ouder dan vijftig jaar, dood en begraven was. Die grens is nu losgelaten.”

Dankzij moderne technieken weten we steeds meer van wat zich in het verleden heeft afgespeeld. Zo bleek uit recent onderzoek, dat we nog steeds de genen hebben van de jager-verzamelaars, met een snufje Neanderthaler, die zo’n 45.000 jaar geleden in aanraking kwam met de ‘moderne mens’. Die genen beschermen ons nog steeds tegen een aantal ziekten. Volgens wetenschappers kan de huidige genetische variatie echter niet alleen verklaard worden door deze groepen. Er moeten dus nog meer immigranten geweest zijn.

“Het lastige van archeologisch erfgoed is, dat je het niet kunt zien”, zegt Lauwerier. “Dus je moet het vroegtijdig in beeld brengen en aangeven wat belangrijk is. Opgraven kun je maar één keer. Over twintig jaar kunnen we het vast beter, met andere technieken. Dus als het kan, proberen we het in de grond te bewaren, ‘in situ’, in zijn originele context.”

* In ’92 spraken de ministers van cultuur af dat er meer zorg voor archeologisch erfgoed moest zijn. Dus al vanaf een vroeg stadium erbij zijn, als er gebouwd gaat worden. De veroorzaker betaalt, oftewel: de projectontwikkelaar moet zorgen voor de juiste ‘oplevering’, anders mag de bouw niet doorgaan.

Paarden, kippen en konijnen
Als archeozoöloog richt Lauwerier zich op dierlijk botmateriaal. “Zo weten we hoe mensen vroeger met dieren omgingen; waar ze op jaagden, wat ze aten, welke gereedschappen ze daarbij gebruikten, et cetera.” Hij noemt een voorbeeld: “Vanaf de Romeinse tijd eten we nauwelijks paarden meer. Wij dachten dat dat met het geloof te maken had, maar het bleek een Romeinse gewoonte te zijn: paarden waren kameraden, net als nu onze honden.”

Opvallend: konijnen, kippen en katten zijn geen oer-Hollandse dieren. Konijnen kwamen van oorsprong uit Spanje en Portugal, werden tam gemaakt in Frankrijk en pas in de middeleeuwen, rond de veertiende eeuw, geïmporteerd via kloosters en adel. Daar werden ze als cadeautjes gegeven aan dames, die er aan de rand van omheinde konijnenheuvels op mochten schieten… Ontsnapte konijnen stichtten hier nieuwe kolonies wilde konijnen. De kip en de tamme kat kwamen met de Romeinen ons land binnen.

De natuur als verstoorder
André van Holk, prof. dr. en hoogleraar Maritieme archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft zijn bedenkingen bij het ‘Malta-beleid’. “Er wordt geen rekening gehouden met de natuur als verstoorder. Zo hebben scheepswrakken bijvoorbeeld te lijden onder de verlaging van het grondwaterpeil; ze komen in aanraking met zuurstof, rotten weg en komen in de verdrukking door de inklinking van de grond. Er liggen nu nog een kleine 70 wrakken van de 500 die we kennen. Er zijn heel veel schepen opgegraven en afgevoerd bij de ontginning. Niemand bekommert zich om de wrakken die er liggen.”

Almere is jong, scheepsarcheologie ook: “Meestal weet je niet wat er precies ligt, want we zijn eigenlijk nog maar net begonnen. We leren wel van andere opgravingen en we kunnen schepen herkennen aan hun vorm vanuit historische bronnen. De oudste scheepswrakken zijn van na 1200, met uitzondering van de boomstamkano’s uit de IJzertijd, waarvan onlangs de resten zijn gevonden.” 
Recent is een wrak van een beurtschip gevonden, gebouwd rond 1550, aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Aan boord vonden de onderzoekers twee rapieren en hellebaarden. Wat moesten die vissers met wapens? “Er gingen waarschijnlijk soldaten mee aan boord bij het uitvaren van Amsterdam om schepen te beschermen tegen de Geuzen.”

Toegang verplicht
In de Flevopolder is het water nu land, vaak in particulier bezit. “Sommige boeren vinden archeologie leuk, maar het is vaak moeilijk om toegang te krijgen tot het land. Al zijn ze dat wel wettelijk verplicht. Duikverenigingen zijn heel actief, maar soms een beetje tè. Ik zou willen dat we meer gaan samenwerken.”

Willem-Jan Hogestijn, stadsarcheoloog bij de gemeente Almere, heeft een andere insteek dan zijn collega’s: “Mij gaat het om de mensen van nu. Iedereen heeft recht op toegang tot zijn geschiedenis en cultuur. Het zou een mensenrecht moeten zijn. In Malta is vastgelegd dat die verhalen te horen, te zien en te beleven moeten zijn. In Almere gebeurt dat. De acties van de gemeente zijn erop gericht om dat aan de burgers terug te geven.”

Als voorbeeld noemt hij het uitsparen van de archeologische vindplaatsen in de stad. “85% van de Almeerders wil die plekken ook graag handhaven. In een interactief programma konden zij aangeven hoe zij die plekken wilden inrichten. Daarover was een expositie in Casla, waarop ze weer commentaar konden geven. Met de uitkomsten kunnen wij weer aan de gang.”

Samenwerken en keuzes maken
Het is dus nadrukkelijk geen eenmansactie. Hogestijn: “Als stadsarcheoloog doe ik bijna niets alleen. Samen houden wij ons bezig met de zorg voor archeologie. Ik moet er alleen voor zorgen dat het gebeurt; de gemeente heeft daarin een belangrijke ontwikkeltaak en heel veel gebeurt dan ook in opdracht van de gemeente.”

Projectleiders moeten op tijd het archeologisch onderzoek (laten) uitvoeren. En er zijn heel veel belangrijke vindplaatsen. Zo veel dat er niet aan te beginnen valt om dat allemaal te bewaren. Dus daar moeten we keuzes in maken. We moeten beginnen bij het begin: de bodem. We hoeven alleen maar te weten waar wat zit. Daar stopt het archeologisch onderzoek: we laten het in de bodem zitten, tenzij het niet anders kan.”

In ’92 spraken de ministers van cultuur af dat er meer zorg voor archeologisch erfgoed moest zijn. Dus al vanaf een vroeg stadium erbij zijn, als er gebouwd gaat worden. De veroorzaker betaalt, oftewel: de projectontwikkelaar moet zorgen voor de juiste ‘oplevering’, anders mag de bouw niet doorgaan.

 

Wil je ook naar het Kenniscafé? De volgende is op donderdag 27 oktober, vanaf 19.30 uur in de nieuwe bibliotheek in Almere Stad.
Thema: sociale media en netwerken: wat doet dat met ons en wat doen wij ermee?