Zuiderzee was vroeger een soort Kalverstraat op zaterdagmiddag
"De eigen geschiedenis doorvertellen aan je bewoners is essentieel"
Tekst: Thijs Wartenbergh
De Zuiderzee is een belangrijke schakel geweest in de groei van Amsterdam in de Gouden Eeuw. In Noord-Nederland werd in de Romeinse Tijd wel paardenvlees gegeten en in het zuiden van ons land niet. De geschiedenis van je eigen stad doorvertellen is van wezenlijk belang en in feite een van de mensenrechten.
De doorstart na de zomervakantie van KennisCafé Almere in de nieuwe bibliotheek leverde enige mooie uitspraken op van de drie sprekers die door gespreksleider Peter van Schooten over het onderwerp ´archeologie´ aan de tand werden gevoeld. Dat waren dr. Roel Rauwelier, archeozoologist bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, prof. dr. André van Holk, verbonden aan het Steunpunt Archeologie en Monumenten Flevoland en Almeers stadsarcheoloog Willem Jan Hogestijn.
Voorheen was de grens van 50 jaar getrokken als archeologisch interessant. Die periode is wat losgelaten. `Dus iets wat 30 jaar is, als het maar dood en begraven is, is interessant voor een archeoloog?”, vroeg Van Schooten zich af. Het antwoord was bevestigend.
Opmerkelijk is dat in een van de opgegraven boten wapens zijn gevonden, twee rapieren en twee hellebaarden. Vermoedelijk voeren tijdens de Tachtigjarige Oorlog soldaten mee aan boord. Deze moesten de schippers beschermen tegen lieden die niet zo blij waren met Amsterdam omdat de stad heulde met de Spaanse vijand.
Hogestijn was stellig over het al eerde genoemde Verdrag van Malta. "Men is vergeten er één belangrijk artikel in op te nemen: de eigen geschiedenis aan je inwoners doorvertellen. Dat is naar mijn idee een van de mensenrechten. Wij doen er, in tegenstelling tot het Verdrag, wel iets aan. Wij geven het verhaal terug aan de Almeerders.”
Vindplaatsen worden herkenbaar ingericht zodat bewoners weten dat er daar zo´n locatie is. Ook zijn er vindplaatsen ingericht als verblijfsplekken met een zinvolle invulling, de archeologische betekenis ervan wordt verder uitgedragen via boekjes, cursussen en scholen en de locaties vormen samen een cultureel netwerk. De plekken worden dus na booronderzoeken gemarkeerd en later opgegraven.