Verslag maart '12

  1. Home
  2. /Kenniscafé
  3. /Het KennisCafé in 2012
  4. /Verslag maart '12

'Heerlijk, die meelwormen. Geef er nog maar een paar...'

Volop beweging in discussie over voedsel verbouwen en...
het eten van insecten

Thijs Wartenbergh

Heerlijk, zo’n hapje meelwormen…. Dat moesten de bezoekers van KennisCafé Almere in de nieuwe bibliotheek wel toegeven, toen een bakje met deze diertjes rondging. Vrijwel niemand had ooit eerder een of ander insect op zijn bord gehad, het idee alleen al…,  maar het achterover slaan van deze (gebakken) beestjes viel alleszins mee. Het ging op deze avond niet alleen over insecten, maar ook over gentechnologie en stadsboerderijen.

De avond kreeg, mede door het praten over insecten, een vermakelijk karakter.  Harmke Klunder was daar ‘verantwoordelijk’ voor. Zij doet bij Wageningen University & Research onderzoek naar voor de mens eetbare insecten. We realiseren het niet altijd, maar waar wij in het westen van gruwen, daar eet tachtig procent van de wereldbevolking wel min of meer regelmatig van die diertjes. In Afrika met name, en in Azië. Dat is op zich niet zo vreemd. “Insecten zoals krekels, wormen, sprinkhanen hebben een hoge voedingswaarde en zijn daarmee gezond. Ze bevatten veel eiwitten, onverzadigde vetzuren, ijzer, calcium en vitaminen en vormen een goede vleesvervanger.”

Energie
Het kost veel energie, ging ze verder, ons vlees op ons bord te krijgen. “We weten wel wat er voor komt kijken om een koe groot te brengen en te onderhouden. Als je dat vergelijkt met insecten, dan ben je bij die laatste groep heel wat efficiënter en goedkoper uit”, aldus Klunder. In Nederland worden al behoorlijk wat insecten gekweekt, voor reptielen en vogels bijvoorbeeld. Ons land is zelfs een grote producent, in het buitenland is dat nog nauwelijks het geval. “Wij helpen”, zei ze, “andere landen, zoals Laos, in samenwerking met de FAO (voedselorganisatie van de Verenigde Naties), op kleinschalige basis kwekerijen op te zetten. Ik ben daarvoor zelf ook op diverse plekken in het buitenland geweest.”

Hoe vreemd we ook aankijken tegen de consumptie van insecten, de interesse ervoor in ons land neemt toe, merkt Klunder door haar contacten met de horeca en een poelier. “Op dertig plekken zetten restaurants een hapje van die kleine diertjes op de menukaart.” Je bewaart ze goed als je ze een minuut in kokend water blancheert en invriest. “Er is nog wel veel studie naar de voor- en nadelen voor nodig”, aldus Klunder. “De wetenschap heeft er zich als onderwerp voor studie nog niet zo intensief mee beziggehouden.” 

Aardappelziekte
Bert Lotz, teamleider toegepaste ecologie, eveneens in Wageningen, volgt de ontwikkelingen op het gebied van gentechnologie al sinds 1996. Hij had het tijdens zijn verhaal met name over de strijd tegen phytophthora, de gevreesde aardappelziekte, die niet in Nederland, maar ook elders in de wereld (op een totaal areaal van 160 mln ha) hele gewassen kan aantasten en daarmee veel schade toebrengt. 

Om de ziekte aan te pakken wordt tijdens onderzoeken gebruik gemaakt van de genen van wilde aardappelen die worden gekruist met de cultuuraardappel. Daarbij worden actuele kennis en technieken toegepast die het mogelijk maken op uitgekiende wijze verschillende resistentiegenen te combineren. Lotz: “Een methode is om met behulp van een bacterie een of meer van die genen over te brengen in een aardappelras. De methode van genetische modificatie wordt cisgene genetische modificatie genoemd.” Door gebruik te maken van deze techniek houden de aardappelrassen hun oude eigenschappen en krijgen ze er een of meer genen van wilde aardappelen bij.

Lotz bestreed de term ‘Frankenstein-voedsel’, zo genoemd omdat er nogal wat wordt geëxperimenteerd met genvoedsel. “Wij hebben met genetisch gemodificeerd voedsel heel veel onderzoek gedaan. Er is echt veel wetenschappelijk onderbouwing voor de onderzoekactiviteiten te geven. Die term is flauwekul.” Hij pleitte voorts voor een soepeler manier van het werken op het speelveld van de genetische gewassen. “Er is nu teveel macht bij een paar partijen, zoals Bayer. De kennis blijft daardoor in handen van een paar bedrijven. Qua machtsverdeling is dat ongewenst, dat geldt met name voor ontwikkelingslanden.”

Stadslandbouw
Gaston Remmers, lector aan de CAH (Christelijke Agrarische Hogeschool) Almere, bekeek de mogelijkheden van natuur en groen in de verstedelijkte woonomgeving, die vervolgens kan leiden tot stadslandbouw.  Dit laatste is een actueel thema: in diverse Nederlandse steden wordt ingezien dat je voedsel niet uit de hele wereld hierheen moet slepen. Je kunt beter lokaal kijken, zo wordt gesteld, wat er op dat punt voor mogelijkheden zijn. Minder CO2-uitstoot, sociale samenhang, werkgelegenheid en koppelingen met een zorgboerderij en het onderwijs, c.q. educatie zijn enkele voordelen van zo’n aanpak. Remmers: “Er ontstaat op deze manier een ander uitgangspunt: voorheen had de landbouw als taak voedsel produceren, in steden liggen er andere uitdagingen.”

Hij wil daarmee maar zeggen dat de landbouw destijds uit de steden werd verdrongen en dat deze  nu weer terugkeert naar de verstedelijkte omgeving. Stadslandbouw kan kleinschalig vorm krijgen: achter op een erf, met het houden van een paar kippen, de moderne volkstuin is geboren. “Natuurlijk, het gaat om voedselproductie, maar in armere landen is die noodzaak groter. Wij zijn al aardig zelfvoorzienend. Je ziet nu een beweging waarbij leegstaande panden als kas fungeren, met de kans op overproductie. Daar zit echter geen idee achter. Het is hapsnap. In het Westland begint men al te morren vanwege de oneerlijke concurrentie.”

Almere doet volop mee waar het stadslandbouw betreft. De stad had als eerste een stadsboerderij, op de Kemphaan, in Almere Buiten zijn er vergevorderde plannen voor een Warmoezerij (een combinatie van stadslandbouw, horeca, kinderopvang, detailhandel en zorg), op kassencomplex Buitenvaart kan men een deel van een kas huren en boeren doen mee met een proef om mest te vergisten. Verder bundelen de CAH, Wageningen University, de Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland (OMFL) en Witteveen/Bos de krachten om te zien hoe Almere een vitale stad kan worden. Waarbij de focus ligt op het bestrijden van obesitas, die hier harder toeslaat dan elders.