Plus bibliotheek Flevoland

Historie

  1. Home
  2. /Watermanagement
  3. /Introductie
  4. /Historie
Nederland is trots op zijn watermanagement. Als Nederlanders een ‘trots’-lijst moeten maken dan blijkt dat zo’n 70 % van de geïnterviewden ‘kennis van waterbeheersing’ op nummer 1 zet. Blijkbaar zijn wij Nederlanders nog trotser op onze prestaties in watermanagement dan op onze prestaties in handel en sport. 

 

Nederlanders zijn trots op:

 

Trots

Niet trots

Neutraal

Kennis van waterbeheersing

70

8

21

Handelsgeest

60

10

30

Sportprestaties

56

12

31

Koningshuis

40

26

34

Sociale zekerheid

36

31

34

Vrijgevigheid

35

29

36

Drugs gedoogbeleid

28

29

43

Tolerantie

25

39

37



Op zich is dat niet zo verwonderlijk. Er is geen volk wat het land en water zo naar hun hand hebben weten te zetten dan de Hollanders. Daar waar maar enigszins mogelijk is “onbruikbaar moeras” aan het water onttrokken en omgezet in vruchtbare landbouwgrond of woonruimte. Een belangrijke technologische vondst die “inpolderen” mogelijk maakte was de “duiker”. Een holle boomstam voorzien van een beweegbare klep die bij laag tij (eb) water uit een omdijkt gebied (polder) kon laten vloeien en bij hoogwater buiten hield. De duiker maakte het draineren mogelijk en er zouden nog vele technologische verbeteringen volgen (zoals windmolens, mechanisch aangedreven gemalen en de afsluiting van de estuaria) die de landwinning stukken efficiënter zou maken.

Gevolgen van het traditionele watermanagement
Het traditionele watermanagement was vooral gericht op landwinning en bescherming tegen
overstromingen en leek vooral in het begin erg winstgevend. Dat was het ook. Zeker op de korte termijn.
Op de lange termijn verandert dat beeld. Door grote delen van het land te bedijken en te draineren kon slib en klei vanuit de rivieren en zee niet langer meer op land worden afgezet. Daar bij komt dat bodems met een hoog veengehalte inklinken als het wordt gedraineerd (het veen rot weg als het aan de lucht wordt blootgesteld). Langzaam maar zeker zakte grote delen van Nederland onder de zeespiegel. Onbedoeld waren we vanaf dat moment gedwongen om dijken te bouwen. Uiteraard kan die strijd tegen het water lang worden volgehouden. Dijken kunnen immers worden verhoogd en versterkt. Maar het blijven technisch kunstwerken en die vereisen onderhoud. Ook wanneer de maatschappelijke aandacht naar iets anders uitgaat dan hoogwaterbescherming! De geschiedenis leert ons dat het dijkonderhoud dan ook de achilleshiel is van het traditionele watermanagement.

De grote watersnoodrampen uit het verleden hadden vaak te maken met een combinatie van slechte weersomstandigheden én een systematische verwaarlozing van de waterkeringen. Zo hadden de regionale bestuurders tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten geen aandacht voor de kwaliteit van de dijken. Eén (matige) storm in 1421 (St Elisabethvloed) was genoeg voor een aantal dijkdoorbraken waardoor het getijdengebied weer vat kreeg op een groot stuk voorheen ingepolderd en gedraineerd gebied tussen Geertruidenberg en Dordrecht. Na verloop van tijd heeft dat geleid tot wat wij nu als de “Biesbosch” kennen.

Zelfs de watersnoodramp in Nederland van 1953 is grotendeels te wijten aan achterstallig dijkonderhoud. Vóór en tijdens de 2e WOII werd door deskundigen al gewaarschuwd dat de dijken in Zeeland niet op orde waren, maar bestuurlijk Nederland had in die tijd wel andere dingen aan het hoofd dan het dijkenonderhoud in de provincie Zeeland! In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 bleken de verzwakte dijken in de provincies Zeeland en Zuid-Holland niet bestand tegen de combinatie van springtij en een noordwester storm. Zowel op de eilanden als verder landinwaarts kwamen grote stukken land onder water te staan. 1835 mensen kwamen om en veel vee verdronk.

Lees verder: Dijkdoorbraken